Eén goede invalbeurt in Brazilië kan een riant contract opleveren. Een onderzoek met het oog op het WK: hoe vergaat het profvoetballers die als ondernemer willen scoren?
De keerzijde van het voetbalgoud
Als u ook een zoontje heeft die dezer dagen bij het ballen in de tuin de wiegende coniferen aanziet voor de wave die straks door het Maracanã-stadion golft, vertel hem dan eens over Berry van Aerle. De Helmondse PSV’er die na de EK-finale 1988 weer gewoon postbode werd. Of over Ulrich Van Gobbel, de Feyenoorder (acht interlands) die failliet ging met een Surinaamse winti-winkel en tegen een beslaglegging en een taakstraf aanliep. Of over Pierre van Hooydonk die twee miljoen pond investeerde in een Chinese textielfabriek die enkel op papier bleek te bestaan. Het zijn verhalen gekerfd in de keerzijde van het voetbalgoud. Verhalen die we bij voorkeur niet willen horen.
WK-titel levert elke speler kwart miljoen euro op
Natuurlijk, zonen, vaders, iedereen, we luisteren liever naar het gerinkel van de munten. Naar berichten over het geld dat wacht bij succes. Als het Nederlands Elftal vrijdag wint van Spanje, dan incasseert elke speler van de selectie 30.000 euro. En mocht Oranje de finale winnend afsluiten, dan stroomt er een kwart miljoen naar elke bankrekening. Het zijn deze bedragen die maken dat vaders met hun zevenjarige talentjes naar selectiewedstrijden sjouwen, dat scouts de F- en de E-velden afgrazen, dat jongens op steeds jongere leeftijd aan topclubs worden verbonden, maar de bedragen maken menigeen blind voor de realiteit.
Na topvoetbal wacht ware uitdaging
Stel dát uw zoon erin slaagt met voetbal veel geld te verdienen, dan nog wacht de ware uitdaging lang nadat het fluitsignaal van zijn laatste profwedstrijd is weggestorven. Het is maar weinigen gegeven de rest van hun leven rustig te rentenieren, mijmerend over die briljante schaarbeweging of de beslissende steekpass, zo toont een onderzoek dat Bureau Berenschot vorige week publiceerde aan. Het Utrechtse organisatieadviesbureau stuurde 2500 voormalige contractspelers een uitgebreide vragenlijst toe over het verloop van hun ‘tweede carrière.’ Hoewel slechts een kleine tien procent van hen meewerkte, geven de resultaten toch een interessante inkijk in de soms barre wereld die na het topvoetbal wacht. Die overgang is niet eenvoudig, zoveel wordt duidelijk. Neem de stelling ‘Ik beschouw mijn overstap van profvoetballer naar een maatschappelijke loopbaan als succesvol’. Slechts 37 procent van de gewezen topvoetballers is het ‘geheel eens’ met deze stelling. Zestien procent is het ‘oneens’ of ‘geheel oneens.’
Achttien procent van de profvoetballers wordt ondernemer
Na een profcarrière van gemiddeld 10,5 jaar, is het werkende leven voor één procent van de profs zelfs helemaal afgelopen. Zij belanden afgekeurd in de WIA. Elf procent van de ex-profs maakt eveneens kennis met de sociale dienst, zij blijven gedurende langere tijd werkzoekend. Twaalf procent gaat studeren of is financieel onafhankelijk, 58 procent van de voetballers gaat in loondienst (met name in de sportbranche en in transport en dienstverlening) en achttien procent waagt zich aan het ondernemerschap. Vrijheid van handelen is de voornaamste motivatie om te kiezen voor een eigen zaak, zo noteerden de Berenschot-onderzoekers die ook gesprekken met de profs voerden.
Extra kwaliteiten
Voetballers denken dat hun sport hen een aantal extra kwaliteiten schenkt die hun kans van slagen vergroot. Doorzettingsvermogen, discipline en communiceren worden het meest door hen genoemd. En sommigen weten als ondernemer deze kwaliteiten inderdaad te gelde te maken, zij kiezen voor een praktijk als personal trainer of fysiotherapeut. Maar er zijn ook veel profs die struikelen over de knelpunten die het gevolg zijn van hun voetballoopbaan: de achterstand in opleiding en relevante werkervaring, het wegvallen van het hoge salaris, zelfoverschatting, het moeite hebben met het maken van een keuze omdat ze gedurende lange tijd zich uitsluitend op het gras hebben gericht.