Nederlandse beleggers die miljoenen verloren als gevolg van het faillissement van de Carlyle Capital Corp. hebben bij de rechter van het Kanaaleiland Guernsey bakzeil gehaald. Onder aanvoering van speculant Louis Reijtenbagh eiste de groep een schadevergoeding van het moederbedrijf van CCC, de puissant rijke Carlyle Group en haar bestuurders. De rechter meende echter dat hen geen blaam trof voor het faillissement.
Hefboomconstructie
Carlyle Capital Corp. (CCC) belegde in aan hypotheken gerelateerde obligaties. Vanwege het vriendelijke Nederlandse belastingklimaat werd CCC in 2007 door de Carlyle Group naar de Amsterdamse beurs gebracht. Investeerders en banken staken miljoenen in het fonds dat via een hefboomconstructie in totaal circa twintig miljard beheerde. Nadat duidelijk werd dat de obligaties hun waarde ontleenden aan oninbare rommelhypotheken, werd in maart 2008 op last van de AFM de handel stilgelegd. CCC kon niet voldoen aan de eis om meer onderpand in te brengen voor de ontvangen leningen en investeringen. Het fonds beschikte naar verhouding maar over een zeer beperkt eigen vermogen.
Schuld 32 keer hoger dan eigen kapitaal
Korte tijd later verplichtte de rechtbank in Guernsey, waar de hoofdzetel van CCC was gevestigd, het fonds tot liquidatie. De schuld bleek 32 hoger dan het eigen kapitaal. Belegger Louis Reijtenbagh, die naar verluidt zelf miljoenen in het failliete fonds had gestoken, groef de strijdbijl op. Hij bekostigde de procedure die voor de curator en andere gedupeerde beleggers bij de rechtbank van het Kanaaleiland werd aangespannen. Inzet: het verhalen van de schade op het moederbedrijf van CCC, de Carlyle Group, een van ‘s werelds grootste private equity-investeerders. De Carlyle Group heeft een dubieuze reputatie, vooral dankzij documentairemaker Michael Moore die in zijn film Fahrenheit 9/11 de groep ervan betichtte een schimmig netwerk te onderhouden, onder meer met de Saoudische Bin Laden-familie.
Onvoorziene omstandigheden
Hoewel werd verwacht dat de rechter de zaak met een paar hamerslagen zou afdoen, namen de verhoren twintig weken in beslag. Verschillende bestuurders waaronder Bill Conway, co-ceo van de Carlyle Group, vlogen over naar Guernsey waar zij betoogden dat zij steeds hadden gehandeld in het beste belang van het investeringsfonds. De rechter trok tenslotte de conclusie dat het falen van het fonds te wijten was aan ‘onvoorziene omstandigheden’.