Als gevolg van het toenemend aantal grotere faillissementen is er plotseling ook een verhoogde belangstelling voor de surseance. Daarbij komt een door enkele rechtbanken zelf bedachte positie van ‘stille bewindvoerder’.
Wat houdt surseance eigenlijk in?
Het woord surseance is ontleend aan het Franse begrip sursánce dat op zijn beurt stamt van het middeleeuws Latijnse sursisa. Letterlijk betekent surseance opschorting, oftewel, uitstel van betaling. Aan een schuldenaar op wie faillissement is aangevraagd, kan op zijn verzoek, surseance worden verleend. Surseance betekent dat de schuldenaar nog voldoende kansen ziet voor de onderneming, en ervan overtuigd is dat de schuldenlast een ‘tijdelijke kwestie’ is. Omdat geen enkele rechtbank onterechte faillissementen wil uitspreken, wordt er bijna altijd wel tijdelijk surseance verleend. De rechtbank wijst een bewindvoerder aan die in enkele dagen moet vaststellen dat de financiële problemen op korte termijn opgelost zijn. In ruim tachtig procent van de gevallen eindigt surseance toch in het faillissement.
Tijdelijke schuldsituatie
Als de ondernemer kan aantonen dat de schuldsituatie tijdelijk is, wordt er voor anderhalf jaar surseance verleend. In die periode kan de ondernemer niet gedwongen worden zijn schulden te betalen. De rechtbank kan de surseance nog verlengen. Tijdens de surseance is de ondernemer verplicht samen te werken met de bewindvoerder. Eigenlijk is de bewindvoerder de baas in het bedrijf waaraan surseance is verleend. Hoewel hij voor het zeggen heeft, staat de bewindvoerder voor een allesbehalve gemakkelijke klus, zeker wanneer de situatie van het bedrijf openbaar bekend is. Als er terecht surseance is verleend, dan zouden de leveranciers dus gewoon weer kunnen leveren. Maar daar komt doorgaans weinig van terecht omdat de leveranciers er niet meer in geloven met als gevolg dat de ’surseance-ondernemer’ alsnog failliet gaat. Vandaar dat wel wordt gesproken over de surseance als ‘voorportaal van het faillissement.’
Stille bewindvoerder
Inmiddels heeft bij de surseance-ondernemer het begrip ‘stille bewindvoerder’ zijn intrede gedaan. Een ondernemer die in zwaar weer verkeert kan een rechter verzoeken een stille bewindvoerder aan te stellen. Deze opereert onder toezicht van de rechter maar hij beschikt níet over in de wet verankerde bevoegdheden. De minister van Justitie staat diens optreden uit pragmatisch oogpunt toe en studeert tegelijkertijd op mogelijkheden om een juridische basis voor de stille bewindvoerder te creëren. En dat is hard nodig want, op de keper beschouwd kan een stille bewindvoerder niets anders doen dan rondneuzen bij een bedrijf waarvan de ondernemer heeft aangegeven dat het wenselijk is om surseance aan te vragen. Toch kan zijn werk nuttig zijn: als geen surseance hoeft te worden aangevraagd, worden klanten en leveranciers niet afgeschrikt.
Onduidelijkheid en irritaties
Maar, wie bepaalt of surseance wel of niet nodig is? De stille bewindvoerder verricht zijn arbeid in stilte en omdat, zoals gezegd, een wettelijk kader ontbreekt, verloopt dit proces niet bepaald transparant. Onduidelijkheid en irritaties zijn kenmerkend voor de surseance-fase. In de meeste gevallen weet de ondernemer duvelsgoed dat de faillissementsaanvraag van zijn schuldeiser wel degelijk terecht was. Bij leveranciers bestaat de vrees dat de ondernemer de surseance misbruikt om de boedel uit te kleden. Immers, wanneer het klassieke verhaal over de aanstaande grote transactie op waarheid berust, had de ondernemer het niet zover laten komen. En ten aanzien van het faillissement: de rechtbank heeft er geen weet van voordat een schuldeiser het faillissement aanvraagt. Om kort te gaan: een positie als stille bewindvoerder is zinvol als de ondernemer verplicht wordt om zijn faillissement (of surseance) aan te vragen zodra een accountant heeft vastgesteld de onderneming zich in grote moeilijkheden bevindt. Maar dan moet de positie eerst wettelijk worden geregeld. Nu is de stille bewindvoerder alleen nog een ‘idee’ van enkele rechtbanken...
Robert Jan Blom
Wie is Robert Jan Blom
Robert Jan Blom is een toonaangevend deskundige op het terrein van ondernemerschap en faillissementen. Hij publiceerde 75 boeken over het ondernemerschap, waaronder een groot aantal werken die specifiek ingaan op het faillissement. Zoals Failliet in de Praktijk (1992), Failliet, Het onderzoek (1996) en Faillissement, Surseance en Schuldsanering (2000). Daarnaast is hij gastdocent, spreker en commentator: geregeld treedt hij op bij radio- en tv-programma’s als Buitenhof, RTL-Z en het NOS Journaal. Blom is als vast columnist verbonden aan Faillissementsdossier.nl.