Banken kunnen geen verrekening toepassen op binnengekomen betalingen (zoals subsidie) wanneer zij weten of behoren te weten dat een faillissement aanstaande is, ook als die binnengekomen betaling daarna is gebruikt om in opdracht van de rekeninghouder uitgaande betalingen aan diens schuldeisers te doen.
Dat heeft de Hoge Raad onlangs verduidelijkt. Daarmee corrigeert de hoogste rechter een oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat ruimte zag voor een uitzondering.
In het arrest draait het om de toepassing van artikel 54 van de Faillissementswet. Volgens vaste rechtspraak mag een bank geen vorderingen verrekenen met bedragen die na het zogenoemde peilmoment op de rekening van een klant binnenkomen, als zij op dat moment niet meer te goeder trouw is. Dat peilmoment ligt daar waar de bank weet of behoort te weten dat een faillissement te verwachten is.