Gedaagden zijn in oprichtingsfase van een BV in naam van die vennootschap verplichtingen aangegaan; ten tijde van de oprichting van de BV verkeerde de onderneming financieel reeds op de rand van de afgrond.
Bij oprichting van de BV en daarop volgende bekrachtiging was een faillissement te verwachten.
Door de BV op te richten en deze door bekrachtiging vol te laden met een negatief vermogen, was er wat betreft de formele bestuurder en de feitelijk leidinggever naar het oordeel van de rechtbank sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW.